Logo Erfocentrum
Meer info...

 ikoontje: map Antistoffen
 ikoontje: nieuws Nieuws

 ikoontje: nieuws Astma
 ikoontje: tekst Botafbraak
 ikoontje: nieuws Darmontsteking
 ikoontje: tekst Diabetes type 1
 ikoontje: tekst Reuma
 ikoontje: nieuws Malaria
 ikoontje: map Vaccinatie
 ikoontje: nieuws Roken
 ikoontje: nieuws Vogelgriep
 ikoontje: film Vogelgriep

 Folders over biomedisch onderzoek

home  |  nieuws  |  stel een vraag  |  publicaties  |  deze site  |  sitemap

Maak een print van deze pagina


DNA-bank voor erfelijke hartafwijkingen

John Ekkelboom
Met dank aan AMC magazine, AMC Amsterdam

In februari gaat in het AMC het Durrer-instituut voor Cardiogenetisch Onderzoek van start. Dit centrum beschikt over een uitgebreide landelijke databank met bloedmonsters van patiënten met een erfelijke hartafwijking. Doel van het nieuwe instituut is om de daarvoor verantwoordelijke genetische mutaties te ontrafelen. Meer inzicht maakt het mogelijk patiënten in een vroeg stadium op te sporen en vervolgens te voorkomen dat ze aan een plotse hartdood overlijden.

Als toeschouwers tijdens een basketbalwedstrijd in de Verenigde Staten konden de hoogleraren Cardiologie Yigal Pinto en Arthur Wilde het niet nalaten op dat moment ook over hun vakgebied te praten. ‘Erg hè’, verontschuldigt Pinto zich met een lach. Maar dat gesprek was wel de basis van het nieuwe Durrer-instituut voor Cardiogenetisch Onderzoek, dat in februari officieel is geopend met een onderkomen in het AMC.

Beide cardiologen concludeerden tijdens hun verblijf in Amerika dat het tijd werd om het onderzoek naar genetische afwijkingen bij hart- en vaatziekten in Nederland te centraliseren. Om dat mogelijk te maken, zouden de bloedmonsters van vele patiënten met erfelijke hartafwijkingen in één databank ondergebracht moeten worden. Tot nu toe worden die verspreid bewaard in diverse academische centra, wat grootschalig onderzoek bemoeilijkt.

Pinto en Wilde dienden hun idee in bij het Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland (ICIN). Deze KNAW-alliantie van de cardiologie-afdelingen in de acht universitair medische centra stimuleert, coördineert en verricht onderzoek naar oorzaak en behandeling van hart- en vaatziekten.

Daarbij gaat het om zowel verworven als erfelijke aandoeningen. De overgrote meerderheid van de hart- en vaatziekten is verworven, terwijl een kleine groep patiënten genetisch is belast en ondanks een gezond leefpatroon toch plotseling kan overlijden. Vaak gaat het om jonge mensen.

In opdracht van het ICIN werd het plan verder uitgewerkt. Dit resulteerde in de oprichting van het Durrer-instituut, waarin Pinto participeert. ‘De AMC-hoogleraar Dirk Durrer, die in 1984 is overleden, was een van de grondleggers van het ICIN. Uit eerbetoon is het natuurlijk mooi om zo’n nieuw instituut naar hem te vernoemen.’

Unieke combinatie
Het Durrer-instituut is ondergebracht in het Hartfaal Centrum. Dit is het onderzoekscentrum waar onder leiding van Antoon Moorman, hoogleraar Embryologie en Moleculaire biologie van hart- en vaatziekten in het AMC, drie afdelingen zijn geïntegreerd op het gebied van hartonderzoek. Het zijn de afdelingen Cardiologie/Experimentele Cardiologie, Fysiologie en Anatomie.

Om die onderlinge samenwerking te bevorderen, is een verdieping in het AMC daartoe heringericht. Pinto, sinds kort hoogleraar Cardiologie in het AMC, spreekt van een interessante en unieke combinatie. ‘Nergens vind je in ons land zo’n bundeling op het gebied van de hartbiologie. Bovendien is het onderzoek niet alleen fundamenteel maar ook patiëntgericht. Dat spreekt mij erg aan.’

Defibrillator
Volgens Pinto is door de opkomst van de genetica de gezondheidszorg sterk aan het veranderen, wat de laatste jaren ook geldt voor zijn eigen vakgebied. ‘Als student geneeskunde leerde ik nog om patiënten te behandelen. In plaats daarvan behandelen we nu steeds vaker een laboratoriumuitslag. We zien tegenwoordig regelmatig mensen gezond het ziekenhuis binnenwandelen, maar weer vertrekken als patiënt omdat ze een gendefect blijken te hebben.’

Hij licht toe dat zo’n gendefect wordt ontdekt omdat eerder een familielid plotseling daaraan is overleden. Om te achterhalen of ook anderen binnen de familie dat risico lopen, volgt een genetisch onderzoek. De dragers van de betreffende mutatie zijn dan ineens potentieel patiënt. Maar zij krijgen niet allemaal last van hartfalen. De belangrijkste vraag is volgens Pinto dan ook waarom de een wel problemen krijgt en de ander niet.

Moleculaire veranderingen
‘Voorheen richtten onderzoekers zich vooral op de hartpomp die niet goed meer knijpt, maar in de hartspier spelen zich allerlei moleculaire veranderingen af waar we met name in de kliniek nog onvoldoende zicht op hebben. Die proberen we te achterhalen.

Het is van belang te weten welke factoren in de rest van het DNA mede bepalen of de mutatie ontaardt in een hartziekte. Als je die mechanismen kent, kun je een goede voorspelling doen en de dragers selectief behandelen met bijvoorbeeld een implanteerbare defibrillator. De risicogroep overlijdt namelijk meestal aan een ritmestoornis.’

Bloedmonsters
Om het risicovolle omgevings-DNA te traceren, is onderzoek bij vele dragers noodzakelijk. Door mensen uit verschillende families met elkaar te vergelijken, is bovendien de kans groter om de gemeenschappelijke moleculaire schakelaars te vinden, die het hart aanzetten tot hartfalen.

Nu van vele honderden dragers in Nederland bloedmonsters in het Durrer-instituut liggen opgeslagen, is het logistiek een stuk eenvoudiger dergelijke studies te doen.

Populatieonderzoeken
Naast materiaal dat afkomstig is van families waarin mutaties voorkomen, bevat de bank ook duizenden bloedmonsters uit populatieonderzoeken. Als voorbeeld noemt Pinto een studie naar cholesterolverlagende middelen, waaraan honderden mensen meededen met aderverkalking in de kransslagaders. Een deel van hen kreeg ondanks die medicijnen toch een hartinfarct.

Door het DNA-profiel van alle proefpersonen met elkaar te vergelijken, is het beter mogelijk afwijkingen te vinden bij de mensen die geen baat hadden bij de cholesterolverlagers. Aan de hand daarvan kan straks wellicht van tevoren worden bepaald of het voor iemand wel of niet zinvol is die middelen te gebruiken.

Pinto vertelt dat ook al deze bloedmonsters in de toekomst bruikbaar zijn voor onderzoek. ‘Het is belangrijk dat niet alleen het AMC met de databank aan de slag gaat. Deze is voor alle academische afdelingen van het ICIN toegankelijk. Van concurrentie is absoluut geen sprake en er was ook geen weerstand tegen onze plannen. Iedereen ziet het voordeel in van de centrale opslag en een landelijk onderzoekscentrum.’


Het originele artikel verscheen eerder in AMC magazine, februari 2008, het magazine van het AMC te Amsterdam

Laatst bijgewerkt op 25 februari 2008

 

Telefoon Erfocentrum: 0900-6655566 0900-6655566
25 cent per minuut
ma. en do. 10:00 tot 15:00 uur
Telefoon Erfocentrum: 0900-6655566
Mail Erfocentrum: erfocentrum@erfocentrum.nl erfolijn@erfocentrum.nl Mail Erfocentrum: erfocentrum@erfocentrum.nl

© Stichting Erfocentrum 2001-2010 / Disclaimer
Het Erfocentrum is het Nationale Kennis- en Voorlichtingscentrum Erfelijkheid en Medische biotechnologie.

Het Erfocentrum wordt gesubsidieerd door het Ministerie van VWS en de Centra voor Klinische Genetica.