|
|
|
Meer info...
|
RNAi legt genen stilHuup DassenMet dank aan Triakel, UMCG te Groningen Met RNA-interferentie (RNAi) kan men afzonderlijke genen het zwijgen opleggen. Op die manier is de functie van het uitgeschakelde gen te achterhalen. De ontdekkers ervan, de Amerikaanse biologen Craig Mello en Andrew Fire, krijgen er dit jaar de Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde voor. Dr. Ellen Nollen van de afdeling Genetica werkt al enkele jaren met RNAi bij haar onderzoek naar de eiwitklonten die kenmerkend zijn voor de ziekten van Parkinson en Huntington. Onze erfelijke informatie zit in de genen, die bestaan uit DNA. DNA bevat het recept voor de aanmaak van eiwitten. Om een eiwit te kunnen maken wordt van het DNA eerst een kopie gemaakt: het messenger RNA (mRNA). Dat is nodig omdat het DNA in de celkern zit en de eiwitsynthese daarbuiten plaatsvindt. Met RNAi kan men van afzonderlijke genen de mRNA-kopie in stukken knippen, zodat de vorming van het bijbehorende eiwit onmogelijk wordt. Met deze techniek kan men in principe de vorming van eiwitten die betrokken zijn bij ziekteprocessen, voorkomen. Plakkende eiwitten
Sinds het voorjaar leidt zij een eigen onderzoeksgroep bij de afdeling Genetica als Rosalind Franklin fellow. Zij werkt er aan de genetische basis van zogeheten eiwitvouwingsziekten. Voorbeelden daarvan zijn de ziekten van Alzheimer, Huntington en Parkinson. Voor het goed functioneren van eiwitten is het essentieel dat zij ook de juiste ruimtelijke structuur hebben. Bij deze aandoeningen gaat dat mis. Zo is bij de ziekte van Huntington door een mutatie het eiwit huntingtine sterk vergroot. Het bevat lange slierten van het aminozuur glutamine. Als gevolg daarvan gaan de eiwitten massaal aan elkaar plakken, waarbij ze ook nog andere eiwitten meenemen in een soort sneeuwbaleffect. Zo ontstaan eiwitklonten (aggregaties) die de cellen waarin dit gebeurt te gronde richten. Bij Alzheimer en Parkinson ontstaan soortgelijke afwijkingen in andere eiwitten. Genen screenen
'In de worm kunnen we de fouten in de Parkinson- en Huntingtoneiwitten nabootsen. Dan voeren we ze genetisch gemanipuleerde bacteriën die dubbelstrengs RNA kunnen maken tegen één bepaald gen. Dat kan omdat van alle circa 20.000 wormengenen de basenvolgorde bekend is en veel van die genen ook bij mensen voorkomen Zo kan elk gen worden uitgeschakeld en kunnen we zien of dat effect heeft op de eiwitafwijkingen. We hebben ze allemaal één voor één uitgeprobeerd. Bij deze genome wide screen werden bijna 200 genen gevonden die op de een of andere manier de vorming van de aggregaties beïnvloeden.' Spastische rondwormen
'Wat ze verwachtten gebeurde: het antisense RNA voorkwam dat er een volledig eiwit ontstond. Ze dachten dat dit kwam omdat het aangeplakte antisense RNA het aflezen van het mRNA belemmerde. Maar toen zij ter controle hun experiment herhaalden met een stukje sense RNA, dat identiek is aan het mRNA en er niet aan plakt, lukte het ook. Dat klopte niet met de verwachtingen. Op zoek naar een verklaring onderzochten ze de gebruikte RNA-monsters en vonden behalve sense of antisense ook dubbelstrengs RNA. Ze hebben toen de experimenten herhaald met heel zuiver sense, antisense of dubbelstrengs RNA. Toen bleek dat alleen het dubbelstrengs RNA het gewenste effect, het spastisch samentrekken van spieren, opleverde.' Vrij snel daarna vonden Mello en Fire ook een verklaring voor dit verschijnsel. Een enzym (Dicer) knipt de dubbele streng in nog kleinere stukjes. Die fragmenten worden door het eiwitcomplex RISC gebonden dat de strengetjes van elkaar scheidt. Dit complex zoekt vervolgens de cel af op complementaire stukken op mRNAmoleculen. Als die er zijn, knipt het eiwit dáár het mRNA door. Het originele artikel verscheen eerder in Triakel, nr 6 2006, het magazine van het UMCG te Groningen. Laatst bijgewerkt op 15 december 2006
© Stichting Erfocentrum 2001-2010 / Disclaimer
Het Erfocentrum is het Nationale Kennis- en Voorlichtingscentrum Erfelijkheid en Medische biotechnologie. Het Erfocentrum wordt gesubsidieerd door het Ministerie van VWS en de Centra voor Klinische Genetica. |
|