Logo Erfocentrum
Meer info...

 ikoontje: map Antistoffen
 ikoontje: nieuws Nieuws

 ikoontje: nieuws Astma
 ikoontje: tekst Botafbraak
 ikoontje: nieuws Darmontsteking
 ikoontje: tekst Diabetes type 1
 ikoontje: tekst Reuma
 ikoontje: nieuws Malaria
 ikoontje: map Vaccinatie
 ikoontje: nieuws Roken
 ikoontje: nieuws Vogelgriep
 ikoontje: film Vogelgriep

 Folders over biomedisch onderzoek

home  |  nieuws  |  stel een vraag  |  publicaties  |  deze site  |  sitemap

Maak een print van deze pagina


Spierzwakte: meer zicht op achtergrond van erfelijke spierziekte

Henk Hellema
Met dank aan Triakel, UMC Groningen

Baby's met die met de erfelijke spierziekte SMA (spinale musculaire atrofie) geboren worden, hebben een slecht perspectief: ze worden steeds zieker en sterven (zeer) jong. Het UMCG is het enige centrum in Nederland waar mensen met een kinderwens, met SMA-patiënten in de familie, zich kunnen laten screenen op dragerschap.


Recent is bij de afdeling Klinische Genetica een snelle en gebruiksvriendelijke methode uitgetest, waarmee nog nauwkeuriger naar afwijkend DNA kan worden gekeken.

Verloop van SMA
De aandoening kan hard toeslaan. Sommige kinderen met SMA worden niet ouder dan één jaar. Door het afsterven van zenuwcellen in de voorhoornen van het ruggenmerg krijgen spieren in armen, benen en romp steeds minder zenuwprikkels om hun werk te doen. Deze kinderen zullen nooit zonder hulp kunnen zitten. Ook hun ademhalingsspieren worden steeds slechter aangestuurd. Vóór hun tweede levensjaar komen ze te overlijden.

'Deze erfelijke zenuwziekte kan echter ook milder verlopen,' zegt dr. Henny Lemmink, als moleculair-geneticus verbonden aan de sectie DNA-diagnostiek van de afdeling Klinische Genetica. 'Sommigen krijgen pas na een jaar of nog later symptomen van spierslapte. Er zijn patiënten die nooit zelfstandig zullen lopen, maar met gebruik van allerlei hulpmiddelen toch zo'n 30 jaar kunnen worden.'

'Anderen, met de meest milde vorm van SMA, kunnen zonder hulp staan en soms zelfs lopen en hebben een vrij normale levensverwachting. Het beloop en de ernst van de ziekte wordt in hoge mate bepaald door het onderliggende erfelijke defect.'

Compensatie
SMA is een relatief veel voorkomende aandoening. Eén op de tienduizend pasgeborenen in ons land lijdt aan deze zenuwziekte, één op de 45 mensen is drager. 'SMA is een aandoening waarvan we de erfelijke achtergrond in grote lijnen begrijpen, maar die ons ook steeds weer voor verrassingen plaatst.'

Bij 95 procent van de patiënten met SMA ontbreken twee dezelfde stukjes DNA in een gen op chromosoom vijf. Dat gen speelt een belangrijke rol bij de overleving van zenuwcellen in het ruggenmerg. Het draagt dan ook de naam 'survival motor neuron' gen, afgekort SMN-gen.

De mens heeft twee van dergelijke genen: SMN-1 en SMN-2. 'Bij de meeste SMA-patiënten ontbreken dezelfde stukjes DNA. Toch zijn ze niet allemaal even ziek. Hoe kan dat dan? In samenwerking met anderen hebben we aangetoond, dat het verlies van een deel van het SMN-1 gen kan worden gecompenseerd. En wel door het SMN-2 gen.

Maar die compensatie is beperkt. Dat komt doordat het SMN-2 gen niet helemáál gelijk aan het 'gezonde' SMN-1 gen blijkt te zijn. Het bevat wel dat DNA-stukje dat in het 'zieke' SMN-1 gen ontbreekt, het lijkt dus compleet, maar verschilt toch in één DNA-base met het 'gezonde' SMN-1 gen.'

Overlevingseiwit
En dat verschil, hoe miniem ook, is belangrijk, aldus Lemmink. 'Door de verandering van die ene letter in de erfelijke code is ook het SMN-2 gen niet in staat het volledige eiwit aan te maken, dat de zenuwcel nodig heeft voor zijn overleving. Of beter gezegd: het kan dat complete eiwit maar mondjesmaat produceren.'

Sommige patiënten blijken echter meer dan twee exemplaren van het SMN-2 gen te bezitten — drie of vier. 'En dat kan gunstig zijn. Hoe meer kopieën van het SMN-2 gen aanwezig zijn, hoe meer overlevingseiwit kan worden geproduceerd. En hoe minder ernstig de ziekte kan uitpakken.'

DNA-diagnostiek
Ouders en andere familieleden van patiënten kunnen gebruik maken van DNA-diagnostiek om eventueel dragerschap aan te tonen. 'Daarin wordt nog alleen naar afwijkingen in het SMN-1 gen gekeken. Aangezien het bij SMA om een recessieve aandoening gaat, moeten beide ouders het ziektegen aan hun kind doorgeven, wil het deze de aandoening ook werkelijk krijgen.

Als drager van slechts één gen hebben de ouders zelf geen last van spierzwakte. Met het oog op een zwangerschap bieden we de ouders naast erfelijkheidsadvies ook prenatale diagnostiek aan.'

Nieuwe methode
Onlangs hebben de Groningers in nauwe samenwerking met het Amsterdamse bedrijf MRC Holland een methode ontwikkeld, waarmee niet alleen de afwijking in het SMN-1 gen kan worden opgespoord, maar ook zeer nauwkeurig de aanwezigheid van het aantal SMN-2 genen kan worden bepaald.

'Het aantal SMN-2 genen geeft een ruwe indicatie over het mogelijke verloop van de zenuwziekte. Maar het verband tussen het aantal SMN-2 genen en de ernst van de spierzwakte staat zeker niet voor honderd procent vast. We hebben aanwijzingen dat ook andere, nog onbekende genen het lot van de motorische zenuwcellen in het ruggenmerg bepalen.'

Die onzekerheid om het verloop van de ziekte te kunnen voorspellen, is de reden dat deze nieuwe test nog niet aan patiënten wordt aangeboden. 'De test wordt wel ingezet bij het dragerschapsonderzoek.'

Afremmen
Nog altijd is er geen behandeling voor SMA. Althans niet één die de aandoening kan afremmen of zelfs kan stoppen. 'Een groot aantal patiënten heeft fysiotherapie nodig om hun spieren te onderhouden, bij sommigen treden door spierzwakte vergroeiingen op in bijvoorbeeld de wervelkolom, die om chirurgisch ingrijpen vragen. Velen hebben hulpmiddelen nodig om hun zwakke spieren te compenseren.'

Toch lijkt het erop dat nieuwe inzichten kunnen helpen de ziekte meer gericht aan te pakken, aldus Lemmink. Hij zegt dit met enige terughoudendheid, aangezien dit onderzoek het laboratorium nog niet is ontgroeid.

'Bij patiënten met een ernstige vorm van SMA is de zenuwschade waarschijnlijk niet meer te herstellen, maar bij patiënten met een mildere vorm mogelijk wel. Men heeft ontdekt dat een middel tegen epilepsie, valproaatzuur, zenuwcellen van SMA-patiënten in een kweekbakje kan stimuleren meer van het overlevingseiwit te produceren.'

Zelf zoekt hij een mogelijke behandeling van SMA liever in het stimuleren van nog onbekende bij SMA betrokken genen. Via het screenen van tienduizenden genen wil hij die onbekende spelers op het spoor komen. 'Valproaatzuur is een medicament dat op diverse manieren zijn invloed op het zenuwstelsel doet gelden. Onze benadering zou waarschijnlijk tot een veel specifiekere aanpak kunnen leiden, gericht op een herstel van alleen aangetaste motorische zenuwcellen.'

Laatst bijgewerkt op 10 oktober 2005

Het originele artikel verscheen eerder in Triakel, nummer 3, 24 juli 2005, het magazine van het UMC Groningen.


 

Telefoon Erfocentrum: 0900-6655566 0900-6655566
25 cent per minuut
ma. en do. 10:00 tot 15:00 uur
Telefoon Erfocentrum: 0900-6655566
Mail Erfocentrum: erfocentrum@erfocentrum.nl erfolijn@erfocentrum.nl Mail Erfocentrum: erfocentrum@erfocentrum.nl

© Stichting Erfocentrum 2001-2010 / Disclaimer
Het Erfocentrum is het Nationale Kennis- en Voorlichtingscentrum Erfelijkheid en Medische biotechnologie.

Het Erfocentrum wordt gesubsidieerd door het Ministerie van VWS en de Centra voor Klinische Genetica.