|
|
|
Meer info...
|
Een kwestie van aanlegMieke van BaarselMet dank aan Cicero, LUMC Leiden Waarom worden sommige mensen heel oud en anderen niet? Dat kan toeval zijn en het kan aan een gezonde leefwijze liggen. Maar als broers en zussen uit één gezin een hoge leeftijd bereiken, zit het misschien wel in de familie. Een stamboom kan de onderzoeker dan op het spoor zetten van nog meer negentigjarigen. Vierhonderdvijftig van zulke families vormen samen prachtig onderzoeksmateriaal voor genetici. Wat maakt deze grijsaards anders? “Me nooit druk gemaakt”, zeggen honderdjarigen nogal eens op de vraag hoe ze zo’n hoge leeftijd bereikt hebben. Of: “elke dag een glaasje wijn”. Oud worden wil iedereen, tenminste zolang het op een gezonde en comfortabele manier kan. Daar wil je wel iets voor doen of juist laten. Was het maar zo eenvoudig. Wetenschappers denken dat in werkelijkheid twee willekeurige niet-verwante baby’s heel verschillende kansen hebben om oud te worden. Ook als ze er hun hele leven dezelfde gewoonten op na houden. Onderzoek onder heel oude mensen lijkt het vermoeden te bevestigen dat er zoiets bestaat als erfelijke aanleg om oud te worden. Voedingssupplementen
Onderzoek naar de wisselwerking tussen voedingsstoffen en het DNA en hoe deze wisselwerking uiteindelijk de gezondheid van mensen beïnvloedt. Vandaar dat het Leidse Lang Leven-project, een zogeheten Innovatiegericht Onderzoeksproject (IOP), grotendeels wordt gefinancierd door het ministerie van Economische Zaken. Verder dragen bedrijven als Unilever en Numico ook in dit verkennende stadium al een steentje bij. Het idee voor het eerste onderzoek in dit kader (IOP 1) kwam voort uit de genomics-hype van een paar jaar geleden, aldus prof. dr. Rudi Westendorp van Ouderengeneeskunde. “Intussen zijn we daarmee in de eindfase beland. Vervolgonderzoek gaat twee richtingen uit. Hoe gaat veroudering precies, dat wil zeggen welke eiwitten en afvalproducten zijn betrokken bij het proces? En: kunnen we van de dierenwereld iets leren over de biologie van veroudering?” Dr. Ton de Craen is epidemioloog bij de afdeling Ouderengeneeskunde en een van de onderzoekers van iop 1. Hij was betrokken bij de selectie van de deelnemers: zo’n 450 broer-zus (of broer-broer of zus-zus)-paren van hoge ouderdom: mannen van minimaal 89 jaar en vrouwen van boven de 91. Bouwwerkje
Maar daar zitten ook omgevingsfactoren bij. En iemand kan bij toeval heel oud worden, terwijl de rest van zijn familie vroeg sterft, of op een gemiddelde leeftijd. Uit Scandinavisch tweelingonderzoek weten we dat omgevingsfactoren 70 procent van alle ziektegevallen verklaren. Voor genetisch onderzoek is dat niet ideaal! Daarom doen we het nu anders: we bekijken een groep met een bepaald fenotype, een zichtbare eigenschap: in dit geval familiair bepaalde langlevendheid.” Slagboom en haar mede-onderzoekers meten nu de verschillen in genen van de broer-zusparen met hun schoonkinderen in een zogeheten associatiescan. En ze zoeken naar hun onderlinge overeenkomsten in een linkage scan. “Bij die metingen gebruiken we de modernste Amerikaanse onderzoeksmethoden”, vertelt onderzoekster dr. Marian Beekman. “Voor de eerste scan, waarin we de ouderen met hun schoonkinderen vergelijken, doen we 460 miljoen metingen. Per persoon 500.000 markers: een soort vlaggetjes die je iets vertellen over relevante genen in de buurt.” Omdat broers en zussen al veel op elkaar lijken kunnen de onderzoekers voor de tweede (linkage) scan met minder markers toe: vijfduizend. Intussen staat Leiden niet meer alleen in het onderzoeken van hoogbejaarde broers en zussen. Onder auspiciën van een Europees consortium worden in elf landen zulke paren verzameld. “Maar in de vergelijking met de kinderen en hun partners zijn we nog altijd uniek”, zegt Slagboom. Lichte paniek
“Het ging om een gen voor een eiwit dat met de vetstofwisseling te maken heeft”, zegt Beekman. “Ik heb die Amerikaanse meting meteen overgedaan met zowel een linkage als een associatiestudie op chromosoom 4, maar ik vond niets significants. De vraag was dus: is hun uitslag fout-positief of de onze fout-negatief? Uiteindelijk ben ik er achter gekomen door het vergelijken van verschillende onderzoeken, met populaties uit verschillende landen. In het Amerikaanse onderzoek was de controlegroep afwijkend.” “Dat gen was het dus niet”, concludeert Slagboom. “We moesten het elders zoeken.” Maar eerst wilde ze bewijzen dat zo’n zoektocht zin heeft en dus de investering waard is. Studies naar de vethuishouding van kinderen van honderdjarigen in de Verenigde Staten zetten de onderzoekers op het juiste spoor. Binnenkort verschijnt een artikel van dr. Bas Heijmans, eveneens van Moleculaire Epidemiologie. Hij vergelijkt de vethuishouding van de kinderen van langlevenden met die van hun partners. Slagboom: “Daarvoor hebben we de modernste meetmethoden gebruikt. En wat blijkt? De kinderen van langlevenden zijn beter af, ze hebben een gunstiger vetprofiel in hun bloed dan hun partners. En op hun beurt hebben de langlevenden zelf een nog gunstiger vetprofiel. Die gegevens bewijzen dat we een bijzondere groep families te pakken hebben. De proof of principle is dus geleverd, en nu kunnen we verder.” Investeren in herstel
Je hoopt eigenlijk het laatste, want dan kunnen onze bevindingen ook iets betekenen voor mensen die minder goede reparatiemechanismen hebben.” Het originele artikel verscheen eerder in Cicero, het magazine van het LUMC te Leiden. Laatst bijgewerkt op 21 april 2006
© Stichting Erfocentrum 2001-2010 / Disclaimer
Het Erfocentrum is het Nationale Kennis- en Voorlichtingscentrum Erfelijkheid en Medische biotechnologie. Het Erfocentrum wordt gesubsidieerd door het Ministerie van VWS en de Centra voor Klinische Genetica. |
|