|
|
|
Meer info...
|
Dik betalen voor een dun middelPieter LomansMet dank aan het AMC Magazine Er zijn maar weinig mensen met de ziekte van Fabry, wat vergelijkend onderzoek naar medicijnen voor deze aandoening moeilijk maakt. Een van de eerste studies op dit gebied – uitgevoerd in het AMC – onderstreept het grote belang van dergelijk onderzoek: de bestaande medicijnen blijken nauwelijks effect te hebben. Het lot van vergelijkend onderzoek naar weesgeneesmiddelen ligt in handen van Europa, vinden Carla Hollak en Anouk Vedder. Fabry
Een van de enzymen in het lysosoom is a-galactosidase A. Dit enzym breekt de stof globotriaosylceramide (GL-3) af. Maar bij mensen met Fabry hapert het enzym a-galactosidase A of werkt het zelfs helemaal niet. Het gevolg? Er wordt te weinig of helemaal geen GL-3 afgebroken, waardoor deze stof zich ophoopt in de cel zoals gruisbergen bij een kolenmijn. Vroeg of laat leidt dat ‘gruis’ bij de meeste patiënten tot problemen met de nieren, het hart en de hersenen. De medicijnen
Als de lysosomen in de cellen voldoende van dit enzym binnenkrijgen, kunnen ze de opgehoopte stof waarschijnlijk weer gewoon afbreken. Op die manier wordt de aandoening vertraagd of verzacht, zo is het idee. Enzymtherapie voor Fabrypatiënten – een tweewekelijkse dosis die via het infuus wordt toegediend - wordt in Nederland vergoed door de zorgverzekeraars. ‘Dat is prachtig’, zegt internist Carla Hollak, ‘maar als arts wil je meer'. Je wilt aan iedere patiënt het beste middel geven. Daarom zijn we enkele jaren geleden met subsidie van het College voor Zorgverzekeringen aan een vergelijkend onderzoek begonnen. Welk middel kun je in welke gevallen het beste geven?’ Conclusies zorgwekkend
Vedder: ‘Om de werkzaamheid van beide middelen goed te vergelijken, moet je dezelfde dosis gebruiken. Als standaardtherapie krijgen patiënten per kilo lichaamsgewicht 0,2 milligram Replagal of 1 milligram Fabrazyme. In ons vergelijkend onderzoek hebben we voor beide middelen 0,2 milligram per kilo lichaamsgewicht aangehouden.’ Vedder onderzocht de patiënten na een en twee jaar enzymtherapie en de conclusies zijn zorgwekkend. ‘We hebben op beide tijdstippen geen verbetering van de nier-, hart- en hersenproblemen kunnen vaststellen. Integendeel, bij de meeste patiënten zien we alleen een gestage, verdere achteruitgang.’ Vedder en Hollak laten er meteen een waarschuwing op volgen. Het gaat om een onderzoek met weinig patiënten, omdat Fabry een zeldzame ziekte is. Hoe meer patiënten in je onderzoek, hoe harder en betrouwbaarder de gegevens. Maar de gegevens geven wel aanleiding tot enkele vragen. Hollak: ‘Misschien moeten we naar een hogere dosis, naar die 1 milligram zoals bij Fabrazyme standaard gebeurt. Dan komen echter de financiën om de hoek kijken. Op basis van de huidige doses – 0,2 en 1,0 milligram – zijn de kosten voor beide middelen vergelijkbaar: een patiënt van 65 kilo kost jaarlijks ruim 200.000 euro. Geef je 1 milligram Replagal, dan ben je per patiënt jaarlijks meer dan een miljoen kwijt. Willen we dat betalen, zeker nu de werkzaamheid van beide middelen lijkt tegen te vallen?’ Financiering
Vedder: ‘Dat is de reden voor deze vergelijkende studie geweest. Een van de voorzichtige conclusies luidt nu ook, dat we patiënten misschien eerder moeten gaan behandelen. Eerder dan we nu doen, omdat het erop lijkt dat we te laat zijn als we wachten totdat de klinische problemen zich duidelijk aandienen. Aan de andere kant gaat het om een belastende behandeling die tweewekelijks terugkeert en waarvan nog altijd niet duidelijk is wat de patiënt ermee opschiet.’ Niet op de agenda
Hollak: ‘Een jaar of tien geleden is er Europese wetgeving ontstaan om de ontwikkeling te stimuleren van weesgeneesmiddelen, medicijnen voor aandoeningen die weinig voorkomen en dus een kleine afzetmarkt hebben. Dat heeft goed gewerkt, omdat sindsdien weesgeneesmiddelen al na beperkte studies versneld zijn te registreren. Maar de keerzijde daarvan is, dat de middelen al in de kliniek worden toegepast terwijl nog weinig bekend is over bijvoorbeeld de effectiviteit en optimale toepassing. Verder zegt de European Medical Evaluation Agency (EMEA) ook niets over de prijsvorming, die nu wordt overgelaten aan de inschatting van de farmaceutische industrie. En voor de postmarketing surveillance - het in kaart brengen van eventuele bijwerkingen, de langetermijneffecten, enzovoort - is alleen een registrerende instantie nodig. Die zijn er wel, maar voor beide middelen bestaan afzonderlijke instanties. Een directe vergelijking van de twee middelen voor Fabry staat niet op de agenda.’ Vergelijking
Terwijl dat nou precies is waar artsen behoefte aan hebben, stelt Hollak. ‘We willen weten of een middel werkt, of het beter werkt dan een ander, of we het eerder of later moeten geven, of de dosering optimaal is, of een combinatietherapie in sommige gevallen is te prefereren.’ Dat vereist een Europese, liever nog een mondiale aanpak. Een overkoepelende, onafhankelijke registratie-instelling die niet alleen de data verzamelt over weesgeneesmiddelen voor lysosomale stapelingsziekten als Fabry en Gaucher, maar ook het onderzoek ernaar bepaalt, uitzet en coördineert. Hollak: ‘In Engeland komt nu een centrale databank voor alle lysosomale stapelingsziekten. Alle behandelcentra die zijn aangewezen voor de specifieke therapieën, moeten hun gegevens aanleveren bij deze onafhankelijke instantie. Dat is een goede ontwikkeling die ik graag snel op Europese schaal ingevoerd zou zien.’ Het originele artikel verscheen eerder in AMC Magazine september 2007, het magazine van het AMC te Amsterdam. Laatst bijgewerkt op september 2007
© Stichting Erfocentrum 2001-2010 / Disclaimer
Het Erfocentrum is het Nationale Kennis- en Voorlichtingscentrum Erfelijkheid en Medische biotechnologie. Het Erfocentrum wordt gesubsidieerd door het Ministerie van VWS en de Centra voor Klinische Genetica. |
|