Logo Erfocentrum
Meer info...

 ikoontje: map Vaccinatie
 ikoontje: nieuws Nieuws

 ikoontje: map Vaccin als therapie

 ikoontje: tekst Baarmoederhals
 ikoontje: nieuws Baarmoederhals
 ikoontje: nieuws HIV
 ikoontje: tekst Kanker
 ikoontje: nieuws Multiple sclerose
 ikoontje: nieuws Roken
 ikoontje: film vogelgriep

 Folders over biomedisch onderzoek

home  |  nieuws  |  stel een vraag  |  publicaties  |  deze site  |  sitemap

Maak een print van deze pagina


Slapende virussen wakker maken

Els van den Brink
Met dank aan Cicero, LUMC Leiden

Na een stamcel- of orgaantransplantatie kunnen allerlei slapende virussen weer actief worden en voor complicaties zorgen. Promovendus Jayant Kalpoe werkte aan de ontwikkeling van methoden om de opkomst van deze virussen vroegtijdig te onderkennen en te behandelen.

Transplantatie
Wie eenmaal is geïnfecteerd door een herpesvirus, komt daar de rest van zijn leven niet meer vanaf. Een bekend voorbeeld is het herpes simplex virus, dat in periodes van verminderde afweer een koortslip veroorzaakt.

De meeste mensen dragen vele slapende virussen bij zich, zonder dat ze het merken. Slapende virussen kunnen echter grote problemen veroorzaken bij patiënten die een orgaan- of stamceltransplantatie moeten ondergaan.

Hun afweersysteem wordt namelijk grotendeels platgelegd om afstoting te voorkomen. Als gevolg daarvan is het afweersysteem niet meer in staat om deze slapende virussen onder controle te houden, waardoor die actief kunnen worden.

Hoeveelheid virusdeeltjes
Op aansturen van prof. dr. Louis Kroes gingen dr. Jayant Kalpoe en dr. Eric Claas (Medische Microbiologie) op zoek naar een test om de activiteit van deze virussen te kunnen vaststellen. Met als achterliggende gedachte dat transplantatiepatiënten dan tijdig een antivirale behandeling kunnen krijgen.

Kalpoe vertelt: “Oudere, veelal kwalitatieve testen konden alleen duidelijk maken óf een virus aanwezig is of niet. In dit geval heb je daar niet veel aan. Ongeveer zeventig procent van de mensen draagt bijvoorbeeld het cytomegalovirus bij zich, maar dat wil niet zeggen dat ze ziek worden. Het gaat erom hoevéél virusdeeltjes aanwezig zijn.”

Virusdeeltje
Virusdeeltje

Kalpoe gebruikt hiervoor een relatief nieuwe methode: real-time pcr (Polymerase Chain Reaction). Daarmee kan hij precies meten hoeveel DNA van een bepaald virus in het bloed aanwezig is. “Deze methode is makkelijk uitvoerbaar, betrouwbaar en heel gevoelig”, vertelt Kalpoe.

Realtime pcr werd eerder al wel in laboratoria gebruikt, maar nog niet echt voor routinematige klinische toepassing. Dat is nu wel mogelijk, dankzij de analyses die zijn beschreven in het proefschrift van Kalpoe.

Behandeling vooraf
In eerste instantie vergeleek Kalpoe de resultaten van deze nieuwe testmethode met de uitkomsten van een al bestaande semi-kwantitatieve methode. Met beide methodes bepaalde hij de hoeveelheid cytomegalovirus in het bloed van stamcel- en orgaantransplantatiepatiënten.

Met de nieuwe methode kon hij zeer vroeg een stijging van de hoeveelheid virusDNA waarnemen, ruim voordat het virus symptomen veroorzaakte. Daardoor kan al een antivirale behandeling worden ingezet voordat de patiënt echt ziek wordt: een zogenoemde pre-emptieve therapie.

Kalpoe stelde criteria vast voor deze pre-emptieve therapie. Zo’n vroegtijdige therapie bleek ook mogelijk voor het Epstein-Barr-virus (veroorzaker van de ziekte van Pfeiffer).

Bij het varicella-zoster-virus (veroorzaker van waterpokken) viel de opkomst van het virusDNA echter samen met de beginnende symptomen, waardoor een pre emptieve therapie niet mogelijk was.

De nieuwe testmethode bleek ook handig om de effectiviteit van een behandelmethode te volgen en om verschillende behandelmethoden te vergelijken. Zo werd duidelijk dat het antivirale middel valganciclovir, dat oraal is in te nemen, net zo effectief is als zijn tegenhanger die alleen via het bloed toegediend kan worden. Daardoor is een ziekenhuisopname niet meer nodig.

Kwaadaardige aandoeningen
Samen met kinderartsen en immunologen in het LUMC beschrijft Kalpoe dat het soms niet voldoende is om de hoeveelheid virusDNA te meten. Dat geldt bijvoorbeeld voor het Epstein-Barr-virus, dat bij stamceltransplantatiepatiënten kwaadaardige aandoeningen kan veroorzaken.

Zo’n aandoening wordt voorafgegaan door een toename van de hoeveelheid virusDNA. Het omgekeerde gaat echter niet op: niet alle patiënten met een toegenomen hoeveelheid virusDNA ontwikkelen een kwaadaardige aandoening.

Kalpoe en zijn collega’s analyseerden bij deze patiënten naast de hoeveelheid virusDNA ook het aantal afweercellen dat het afweersysteem specifiek tegen dit virus had geproduceerd. Op basis daarvan konden zij nauwkeuriger voorspellen wie tumoren zou gaan ontwikkelen en dus behandeling nodig had.

Volgens Kalpoe zou in de toekomst de analyse van virusDNA vaker moeten worden gecombineerd met de analyse van het afweersysteem, om de symptoomontwikkeling nog beter in te kunnen schatten.

Het originele artikel verscheen eerder in Cicero nr 9, 14 juli 2007, het magazine van het LUMC te Leiden.

Laatst bijgewerkt op 14 juli 2007

 

Telefoon Erfocentrum: 0900-6655566 0900-6655566
25 cent per minuut
ma. en do. 10:00 tot 15:00 uur
Telefoon Erfocentrum: 0900-6655566
Mail Erfocentrum: erfocentrum@erfocentrum.nl erfolijn@erfocentrum.nl Mail Erfocentrum: erfocentrum@erfocentrum.nl

© Stichting Erfocentrum 2001-2010 / Disclaimer
Het Erfocentrum is het Nationale Kennis- en Voorlichtingscentrum Erfelijkheid en Medische biotechnologie.

Het Erfocentrum wordt gesubsidieerd door het Ministerie van VWS en de Centra voor Klinische Genetica.